113
verbonden, en inzonderheid ook door de vrees, dat uitheemsche
gewassen op die lange spoorwegreis teveel zouden lijden, om op
een tentoonstelling nog een goede figuur te kunnen maken.
Dat deze vrees niet overdreven was, bleek op de tentoonstelling
in Mei in ruime mate. Later, in den zomer, ging dit
echter beter. Teekeningen, plannen voor parken, tuinen en
kassen, waren ingezonden door de Heeren J. Boodenberg ,
te Amsterdam, H. J. Wirke & Zoon, te Arnhem, beiden
met het Anerkennungs-Diplom bekroond, zoo mede van don
Heer N. Hedeker Bisdom, te Amsterdam en D. Yalk, te
’s Hage.
Had Kederland bij de opening der tuinbouw-tentoonstellingen
te Weenen ook al op geen groot aantal inzenders te wijzen,
het behoefde zieh toch in geenen deele te schämen, want, behalve
dat datgene, wat er was, goed kon genoemd worden,
met uitzondering der teekeningen van den laatstgenoemden inzender,
die inderdaad beneden het middelmatige waren, was
het inderdaad niet zoo weinig. Jammer intusschen dat enkele
boomen op de reis teveel geleden hadden. Dit bleek echter
voornamelijk eerst later.
De meeste inzenders had natuurlijk Oostenrijk, vervolgens
Duitschland en daarna Italie. Uit Hongarije waren er voorts
zeven, uit Hederland zeven, uit Belgie zes, uit Griekenland
twee, uit Frankrijk slechts een en uit Engeland geen enkele.
Wel is waar was ook het getal inzenders uit Belgie niet
aanzienlijk te noemen, maar toch kan men veilig zeggen, dat
het belangnjkste, voor zoover het tropische planten betrof, uit
8