Naarmate ze echter verder achter ons liggen, naar die mate
wordt ook het oordeel erover zuiverder, objectiever, en thans
hehoeft men niet veel tegenspraak meer te vreezen, wanneer
men beweert dat haar primitief karakter trapsgewjjs ontaardde,
en ze heel wat anders werden, dan wat de doorluchte ontwer-
per met de eerste Londensche tentoonstelling bedoelde.
Reeds in de Parijsche tentoonstelling van 1855 heerschte een
ander beginsel, en er werd toen meer gelet op ’t vertier in de nij-
verheid, en de middelen om dat te bevorderen, dan om de In
dustrie zelf nieuw en degelijk voedsel te geven in de ver-
standsontwikkeling harer beoefenaars. Het debouchd werd
hoofdzaak, het intellect nevenzaak. Dit trouwens lag geheel in
het karakter der Fransche natie en voor een groot deel ook
in dat van hare Industrie, die hare groote uitbreiding voorna-
melijk te danken heeft aan den fijnen smaak, waardoor haar
producten overal gereeden ingang vonden, maar dan ook alleen
op die wijze kan blijven bestaan, zoolang zij de voorname bron
is waaruit andere landen putten.
Wederom was het Prins Albert, die zieh aan het hoofd stelde
eener tweede gehjksoortige tentoonstelling, die te Londen zou
gehouden worden in 1862. Reeds was men met de verwe-
zenlijking van dit plan ver gevorderd, toen de geniale vor-
stelijke ontwerper, op 14 December 1861, overleed, en Enge
land , dat door ’t verlies van hem, aan wien het zooveel te danken
had en dien het, vreemdeling als hij was, als landgenoot had
leeren heschouwen, in diepen rouw werd gedompeld.
Ofschoon er aanvankelijk veel vrees bestond dat de tentoon-