MAK

Full text: Verslag aan zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken, omtrent de Wereld-Tentoonstelling: gehouden te Weenen, van 1 Mei tot 2 November 1873, en meer bepaaldelijk omtrent de Nederlandsche Afdeeling

47 
uitgezonderd) nog meer is dit noodig in kleinere landen. De 
industrieen van de eerste zijn over ’t algemeen genoeg bekend; 
ook worden ze, zelfs al blijven er daär velen om de kosten 
achterwege, toch nog sterk genoeg vertegenwoordigd. In klei 
nere landen daarentegen moet niemand door de onkosten be- 
hoeven afgeschrikt te worden; däar moeten alle krackten ver- 
eenigd blijven, of enkele takken van nijverheid zullen onver- 
mijdelijk gebrekkig en onvolledig vertegenwoordigd worden, 
waarvan een gebrekkige beoordeeling, een appreciatie die soms 
ver beneden de wezenlijke Verdiensten blijft, onvermijdelijk het 
gevolg moeten zijn. — 
Het antwoord van den Minister, in dato 12 Maart, behelsde 
dankzegging voor de gedane mededeeling en tevens een uit- 
noodiging om aan Z. E. een voordracht te doen van hen, die 
door de drie Yereenigingen geschikt geacht werden om voor 
de benoeming tot leden eener Nederlandsche Hoofdcommissie 
in aanmerking te komen. 
Bij Koninklijk Besluit van 11 April 1872, N°. 11 (Staats 
blad n°. 87) werd de door Z.E. den Minister van Binnenlandsche 
Zaken aan Z. M. voorgedragen Commissie benoemd, waarin de 
drie meergenoemde Yereenigingen vertegenwoordigd waren, ter- 
wijl voor schoone kunsten de Directeur der Rijks Akademie van 
beeidende kunsten, de Voorzitter der Maatschappij „Arti et 
Amicitiae”, beiden te Amsterdam, en de Yoorzitter van het 
schilderkundig genootschap „Pulchri Studio” te ’s Gravenhage 
daarin waren opgenomen.
	        
Waiting...

Note to user

Dear user,

In response to current developments in the web technology used by the Goobi viewer, the software no longer supports your browser.

Please use one of the following browsers to display this page correctly.

Thank you.